Door Jelle Mes – aangepaste versie eerder gepubliceerd in Berichten Wadvaarders, voorjaar 2026.
Toen ik werd gevraagd om een stuk te schrijven over de veranderingen van de oostelijke Waddenzee in de afgelopen 50 jaar, kon ik maar aan één ding denken: de afsluiting van de Lauwerszee. Dit heeft een gigantische gehad op de morfologische ontwikkeling van het gebied, wat op de dag van vandaag nog weerklinkt.

Om dit te kunnen bespreken, eerst wat achtergrondinformatie. Ik ben wadwachter voor Staatsbosbeheer op de Engelsmanplaat (EMP) en zie vanuit die rol ieder jaar de veranderingen van het wad. Het Rif schuift per jaar 20 meter naar de Engelsmanplaat toe, terwijl de EMP steeds kleiner wordt. Dit tweede is ook nog sterk versneld door de afsluiting van de Lauwerszee. Toen mijn vader, Ron Mes, in 1973 voor het eerst op de Engelsmanplaat zat voor onderzoek naar Sterns, waren er nog duintjes begroeid met Biestarwegras. Tien jaar later waren die weggespoeld en konden de wadwachters niet meer in een bouwkeet op de plaat verblijven, maar was een huisje op palen nodig.
Deze erosie is onderdeel van een natuurlijk proces, waarbij er iedere ~100 jaar een nieuwe zandplaat ontstaat aan de Noordzee zijde, het huidige Rif. De oude zandplaat, de huidige Engelsmanplaat, wordt afgeschermd door die noordelijke plaat van golfwerking en dus van sedimentaanvoer. De opbouwende kracht van golven is weg en dus erodeert deze tot onder hoogwater niveau.
Afsluiting van de Lauwerszee
Nu komt de afsluiting van de Lauwerszee in 1969. Hierdoor wordt het gemiddelde volume aan water dat het getijdebekken van de Zoutkamperlaag (ZKL) in stroomt, het getijdeprisma, met 1/3 kleiner – van 305 naar 200 miljoen m3. In andere woorden, de ZKL is veel te groot voor de hoeveelheid water die die nu moet aan- en afvoeren . Hierdoor daalt de stroomsnelheid en kan er veel meer sediment neerslaan op de bodem. In de periode 1970-1987 wordt de totale hoeveelheid neergeslagen sediment in het stroomgebied van de ZKL geschat op 30 miljoen m3 . Als dit materiaal op de Engelsmanplaat zou worden gedeponeerd, zou het een laag van 10 meter dik zijn! De geul heeft zulke grote zandhonger dat er zelfs in de buitenbocht, aan de kant van de Engelsmanplaat, sedimentatie is. De EMP verplaatst zich hiermee 50 meter naar het oosten, het Rif zelfs 500 meter. Uiteindelijk is tot aan 2019 de doorsnede van het zeegat, het doorstroomoppervlak, met 22% afgenomen (berekening op basis van Rijkswaterstaat dieptemetingen, “vaklodingen”). Daarnaast is de vorm drastisch veranderd: van een enkele, grote geul, naar een vloedgeul en twee ebgeulen: de nu veel smallere ZKL (550 m in 2019 versus 1420 m in 1967) en het onbetonde Binnenplaatgat onder de kust van Schiermonnikoog. Omdat het Binnenplaatgat een veel rechtere weg aflegt naar het kombergingsgebied onder Schiermonnikoog, zal die waarschijnlijk de ZKL grotendeels vervangen.

Problemen bij het Lutjewad
In de najaarseditie van dit blad (Berichten Wadvaarders) van 2025 werd al geschreven over problemen bij het Lutjewad (LW). Dit is onderdeel van de oostelijke tak van de Zoutkamperlaag, waarbij de andere tak, de zuidelijke, werd afgesloten in 1969. Een wantij is morfologisch gezien de scheidslijn tussen twee zeegaten waar het het ondiepst is . Na de afsluiting kwam de getijdegolf veel sneller via de te grote ZKL bij het morfologische wantij aan dan via de Eilanderbalg . Hierdoor kon het water uit de ZKL doorstromen ten oosten van het morfologische wantij naar het hydrodynamische wantij: de lijn waar de stromen uit de twee zeegaten samen komen. Uiteindelijk passen de geulen zich aan naar deze nieuwe situatie en schuift het morfologische wantij naar het hydrodynamische op. Onderstaande figuur geeft dit goed weer. Het wantij is voor iedere vakloding op het oog ingeschat en bepaald op welke afstand deze een WZW-ONO transect ter hoogte van het Lutjewad (ton LW28) kruist. Daarna is de afstand genormaliseerd naar de minimale afstand in de tijdreeks, het jaar 1970. Er is een verschuiving van grofweg 3.5 kilometer naar het oosten tussen 1967 en 1982 te zien, met sindsdien sporadische veranderingen van ongeveer 500 meter.

De geul ten zuiden van het LW, het Vierhuizergat, groeit echter sterk doordat de dijk als een geleidingsdam werkt, vergelijkbaar met de Pollendam bij Harlingen. Hierdoor neemt deze de afwatering van het zuidelijke deel van het wantij over van het Lutjewad, wat resulteert in problemen rond de LW20 en LW5. Het LW wordt dus steeds minder geschikt om het wantij over te steken. Dit zou makkelijker kunnen via het Vierhuizergat, waar het niet dat deze door het schietgebied van de Marnewaard stroomt.
De dans van de buitendelta
Zoals eerder beschreven bij de buitendelta van het Pinkegat heeft ieder zeegat in de Nederlandse waddenkust een cyclus van geulmigraties in de buitendelta. Hierin is de balans tussen getij en golfwerking essentieel. Met de neus richting de Noordzee staand, geldt het volgende voor al die zeegaten: 1) de dominante golfrichting is vanuit linksvoor, waardoor alle platen in de buitendelta naar rechts worden geduwd; 2) de getijdegolf komt van links, waardoor de voorkeursoriëntatie van de geulen naar linksvoor is. De geulen en zandplaten schuiven door dit eerste met de klok mee, maar worden hierin geremd door punt 2. Daardoor is de gemiddelde rotatiesnelheid van de geulen in de buitendelta ongeveer 1 graad per jaar . Op een gegeven moment is de geul zo ver naar rechts afgebogen, dat dit een zeer ineffiënte stroming geeft en wordt de geul aan de linkerkant afgesneden. De zandplaat kan dan ongehinderd verder naar rechts bewegen en zo aanlanden op de naastgelegen eilandkop. Dit is hoe sediment zich van eiland naar eiland verplaatst. De afsluiting van de Lauwerszee zorgte voor een sterke verzwakking van de getijkrachten, waardoor de geulmigratie ineens veel sneller ging: 10 graden per jaar voor het Plaatgat en 20 voor het Westgat (wat ondertussen al bijna niet meer het westelijke gat genoemd kan worden). Hierdoor landde er veel meer zand aan op de westkant van Schiermonnikoog dan gewoonlijk en onstond een gigantische strandhaak, 3 bij 3 kilometer (vakloding 1987), 6 miljoen m3 in volume .

Om een goed beeld te krijgen van de verdere ontwikkeling van Schiermonnikoog heb ik de hoogwaterlijnen van alle eilanden en platen vanaf de Engelsmanplaat tot Rottumeroog ingetekend op openhistoricalmap.org, met behulp van satellietfoto’s, vaklodingen, topografische en hydrografische kaarten tussen 1806 en 2025. Met de tijdbalk op die website kan je de evolutie van de kustlijn goed zien. Bronvermelding is in de metadata van de kaartobjecten. Via golfwerking wordt het sediment van de strandhaak langs de Noordzeekust en de westzijde van het eiland verder getransporteerd. Voor de aanlanding van de strandhaak, rond 1980, lag de oostpunt van het eiland, de Blag, ter hoogte van de huidige ton EB 16 en was het eiland 15 kilometer lang. Tussen 1980 en 2024 schuift een bult zand van 5 kilometer lang en 200 m breed naar het oosten, zichtbaar als een uitstulping in de kustlijn. Uiteindelijk landt dit sediment aan op de oostpunt en groeit deze met enorme snelheid: tussen 1984 en 2024 met 130 m/jr. Hierdoor wordt het eiland 5 kilometer langer, 20 kilometer in totaal.
De figuur hieronder geeft dit bondig weer. Hiervoor heb ik de eerder genoemde hoogwaterlijnen ingetekend in OpenHistoricalMap, gebruikt. Daarna zijn de minimale afstanden tussen deze lijnen en een punt op het midden op de Boschplaat, de zuidelijke haak van Rottumerplaat, berekend en het geheel geïnverteerd om een west-oost afstand te krijgen in plaats van een oost-west. Als laatste stap is de afstand ge-hereikt op het jaar 1891 als nulpunt, het jaar in de reeks dat de eilandstaart het meest westelijk lag.

De groei van het eiland gaat echter niet zonder slag of stoot. De geul die om de oostpunt stroomt en het wad ten oosten van het wantij afwatert, de Eilanderbalg, schuift hierdoor eenzelfde afstand naar het oosten. Daar ligt wijlen Simonszand. Met de ingetekende hoogwaterlijnen in OpenHistoricalMap is te zien dat deze plaat zich tussen 1927 en 1984 met een snelheid van grofweg 32 m/jr naar het zuidoosten verplaatste op een koers van 110° E. Dit is vergelijkbaar met andere platen en eilanden in de buurt:
| Zandplaat | Periode | Koers [° E] | Snelheid [m/jr] |
|---|---|---|---|
| Simonszand | 1927-1984 | 110 | 32 |
| Boschplaat | 1888-2024 | 108 | 29 |
| Rottumerplaat | 1971-2024 | 100 | 33 |
| Rottumeroog | 1888-2024 | 110 | 18 |
| Zuiderduin | 1962-2024 | 108 | 23 |
Maar Simonszand gaat een andere kant op zodra de eilandstaart van Schiermonnikoog zich in 1994 begint uit te breiden: 61° E met een snelheid van 51 m/jr. De plaat wordt de Noordzee in geduwd en tegelijkertijd geplet tussen de Balg (130 m/jr) en Rottumerplaat/Boschplaat (~30 m/jr). In 2022 spoelen de laatste resten van Simonszand de zee in .
Doordat de Eilanderbalg in korte tijd een stuk verder om moet rond de Balg, gaat deze sterk meanderen en snijdt deze sinds 2010 met zo’n 40 m/jr in de zuidkant van de Balg. Zo lang deze geul zijn debiet kan behouden, is te verwachten dat binnen tien jaar de Balg doorbreekt en een nieuwe eiland wordt. De nieuwe geul drukt mogelijk het wantij van Schiermonnikoog weer naar het westen, waardoor het blijft rommelen bij het Lutjewad. In ieder geval zal de afsluiting van de Lauwerzee nog vele decennia gevolgen hebben voor het Oostelijke Wad.
